BEZOEK OOK EENS ONZE THEMASITE OEBELE EN WAAR KEEK JIJ VROEGER NAAR?

1973 Leusder Krant - Ab Hofstee: "Er zijn mensen, die mijn werk niet cultureel vinden, maar ik voldoe aan een behoefte"

Donderdag 20 december 1973

Anco Mali

Leusder Krant 20 december 1973“Zullen we eerst een kopje koffie drinken??” zegt hij, als ik ’s morgens om 10 uur bij hem kom. (Hij kan niet weten, dat ik liever thee drink, en ik wil zijn regie niet verstoren. Dus zeg ik : “Heel graag”).
Hij heeft zorgen, want zijn vrouw moet waarschijnlijk een ernstige operatie ondergaan. “Ze ligt boven op bed. Van de week…”, en dan beschrijft hij de ziekteverschijnselen. “Misschien kan het verhelpen van haar te lage bloeddruk de operatie voorkomen”, voegt hij er aarzelend aan toe, maar ik heb de indruk, dat hij daar zelf nauwelijks in gelooft.

Terwijl hij in zijn open keuken bezig is koffie te zetten, praten we over zijn vissen. Hij heeft een prachtige ronde helder-plexiglazen bak met tropische vissen. In het midden, afgeschermd van de rest, een roofvissenpaar met een twintigtal jonkies. Agressief stel, dat ogenblikkelijk aanvalt, als Ab Hofstee een thermometertje in hun nabijheid houdt, of als een andere vis zich verstout om in hun domein te komen zwemmen. Tijdens ons gesprek horen we verschillende malen spektakel in de bak - slaan met vinnen, geklater met water - dan is er weer eens onenigheid gegroeid tussen de overige waterbewoners en het tirannieke roversstel.
Ab laat me even op een afstand, op de hurken gezeten, het effekt van de karperachtige rovers zien. Door het perspektief van het plexiglas worden ze enorm groot en vervaarlijk. “Net monsters. Als ik moe ben - ik kom vaak doodvermoeid thuis -, dan kijk ik graag naar die vissen. Lekker relaxend, hoor.”

Uit het voetstuk van het aquarium, dat hij uit hetzelfde fraaie materiaal heeft laten maken, komen, uit ronde gaten, plantenstengels. Een zeer sierlijk geheel. “Goed voor de vochtigheidsgraad in huis, die bak. Ik doe er per week zo’n vijftien liter water bij.” Er staan overigens grote groene planten in alle hoeken van de woonruimte. Toen ik binnenkwam, was Ab bezig de planten water te geven. De gieter zet hij weg op één van zijn balkons. Het glas van de ramen wordt niet gehinderd door vitrage. Ook zijn balkons zijn in de leefruimte betrokken. Ook dáár planten. “Op dat balkon stel ik mijn kerstboom op, dan leeft zo’n balkon met je huis mee”.
Ab heeft de grijze balkons laten kleuren, en er hangt een mooi geglazuurd reliëf. “Van Schouten en Soest”, zegt hij. “Daar zijn die paarden ook van”. Wijst mij boven de openhaard drie metalen paardenhoofden op stelen, die een galop aangeven. Laat de hoofden even tegen elkaar klingelen.

De koffie is inmiddels gereed gekomen, en hij nodigt me dan voor een zwarte huisbar. Ik moet plaats nemen op één der pitrieten krukken. Hij blijft achter de bar staan om te serveren, en hij vertelt. Brengt zelf het gesprek op de figuur van boer Voorthuizen. Als om mij direkt de wind uit de zeilen te nemen. (Ik weet eigenlijk niet eens of ik over die zingende boer iets te berde had willen brengen). Heeft daar bij vele groepen mensen enorm veel sukses mee. Komt bij een boer in Den Treek om hout te halen voor zijn openhaard.
Heeft een paar klompen in de auto. “Hei ji tuus ook ’n tuun, waor ji die klompen nodig hen?” vraagt die boer. “Nee”, zei Ab ontwijkend, en naar waarheid. De boer neemt Ab nog eens nader onder de loupe. “Ji wil mien toch niet wies maoken, dat ji boer Voorthuizen bin.” De boer slaat in verbazing de handen in elkaar, en ze zijn meteen goede vrienden. Het zal de bewonderde acteur en zanger niet licht meer aan houtblokken voor zijn haard ontbreken…

“Zie je, ik voldoe aan een behoefte, die bij een heleboel mensen bestaat. Je hebt van de intellektuele lieden, die zeggen, dat het niet kultureel is wat ik breng. Wat is trouwens kultureel? Volle zalen trek ik ermee. Je moet ze zien binnenkomen, al die honderden mannen of vrouwen overal in het land. Die hebben geen behoefte aan Shakespeare. Nou, ik soms òòk niet. Die mensen willen eens fijn geamuseerd worden. En ze houden van meezingen, dat doen ze dan ook uit volle borst.
Laatst voldeed ik aan een verzoek van een man in een tehuis voor chronisch bedlegerige op te treden. Komt de man naar het optreden naar me toe, en zegt enthousiast: “Heb je dat gezien in dat bed daar, die vrouw die giert van het lachen. Dat is mijn vrouw, en ze lacht. Man, dat heeft ze in jaren niet meer gedaan!” Kijk, dan weet ik dat het goed was wat ik deed.

Ik treed op in bejaardentehuizen, klinieken, psychiatrische inrichtingen. De mensen genieten van mijn grappen. In die inrichtingen gaat het bij zo’n optreden heel genoeglijk toe. Ik sta daar heus niet altijd alleen op de bühne, hoor. Die vrouwen en mannen komen naast me staan, en zeggen: “Ik ken ook een bak. Mag ik ‘m even vertellen?” Dat vinden die mensen fijn, als ik ze zo gezegd in mijn programma opneem. Och, dat kan allemaal!” Hij doet voor hoe zo’n vrouwtje met een strak gezicht, en zonder blikken of blozen een ontzettend schuine mop vertelt.
“Ik trad es met mijn gezelschap in een ziekenhuis op, en toen was ons daar een lunch beloofd. Komt de directrice om een uur of één met een enorme stapel dikke bruine boterhammen aan zetten, met margarine die de vorige dag er op was gesmeerd, bestrooid met bruine suiker. “Waar blijft onze lunch?’ vraag ik haar. “Ik heb mijn mensen hier een koffietafel beloofd.” “Nou” zegt ze: “Is dit geen lunch? Dat eten onze verpleegsters ook.” Toen is een lopende patiënt, die ons programma wat genuanceerder had beoordeeld, gauw ergens haring en paling voor ons gaan halen.
En u kunt het geloven of niet. Er was eens in zo’n inrichting een direkteur, en die zei dat het gezelschap ons programma bijzonder had gewaardeerd. Z’n mensen waren opgetogen. Toen liet hij mij bij zich komen. En tja, wat denk je dan van zo’n man te krijgen. Een handdruk, een bedankje, een enveloppe. Raadt u eens wat hij mij gaf? Een stukje Friese koek. Ongelogen. “Als u nou ergens een kopje koffie gaat drinken met uw mensen kan u er een lekker stukje koek bij nemen, knikte hij me bemoedigend toe.

Wat ik erg gezellig vind is het werken in “Treslong”, waar zo’n 600 mensen heen komen om te eten, te drinken en allerlei artisten aan te horen. Ik kom altijd als boer op. Als boer kun je veel zeggen. En tegenwoordig kun je echt veel zeggen. Dat is veel leuker dan vroeger. Ik lanceer ook politieke grapjes. Kent u een andere naam voor Den Uyl: Pompietoe. En deze dan: Meneer Oil. Die is òòk goed, hè?”
Ik schiet voortdurend in de lach. De mimiek, die hij in zijn gezicht weet te leggen, is kostelijk. Die máákt het verhaal, dat hij vertelt.

“Een hoop artisten zijn tegen schnabbelen. Die noemen dat “partijen en bruiloften”. Houden ze niet van. Persoonlijk vind ik schnabbelen erg leuk. Het is voor mij een uitdaging om elke avond weer een ander soort publiek te boeien. Je moet alle mensen weten te pakken. Ik tast mijn publiek altijd eerst even af. Hoe zijn ze? Hoe reageren ze? Het is een knokken, maar ik probeer mezelf te zijn. Ik zeg vaak: “Jongens, we moeten met elkaar feest vieren. Ga er eens gemakkelijk voor zitten. Doe fijn mee, en leef je eens lekker uit.”
In Zeist zaten es op de eerste rij acht studenten. Die zaten wat je noemt te wouwelen. Ik vertelde iets, en die studenten maar smalend hinneken. Ik pakte ze aan, het publiek lachte, en ik de pauze waren ze helemaal boven op het balcon gaan zitten. “Bah, wat vind ik dat laf van jullie,” zei ik. Onder applaus van het publiek kwamen ze naar beneden en gingen weer op de eerste rij zitten. Ik had geen kind meer aan ze!
Met de aanstaande feestdagen treed ik op in enkele hotels, waar de mensen gezellig komen eten. Ik heb bijvoorbeeld Schagen en Wieringerwerf op mijn programma staan. Er zijn nog andere artisten, die optreden. De mensen komen, de mensen gaan. Het is niet zo’n stijve zitbeweging. Er zijn allerlei buffetten, en de mensen kunnen zich naar hartelust bewegen. Kijk, daar houd ik van.”

We verplaatsen ons nu, op zijn uitnodigend gebaar, naar de tafel in de woonkamer. “Je moet toch eens wat opschrijven, zegt hij,” zegt hij.
“Nou, ik ben geboren in Kampen. Daar komen Henk van Ulsen en Jacques Schutte ook vandaan. Tussen twee haakjes: Henk van Ulsen doet binnenkort mee in “Kunt u me de weg naar Hamelen vertellen, meneer?” als Jan Reserve. En als Jan Scheltus komt gaan we altijd even plat, dan spreken we het Kamper dialect.
Ik heb leuke herinneringen aan Kampen. Mijn vader en moeder hadden er een café. Als klanten hadden ze sigarenmakers, beroepsjagers, vissers. Ze hadden zo’n aanlegsteigertje, en als die vissers ’s nachts gingen vissen dan kwamen ze eerst bij mijn vader aanleggen. Soms hoefden ze niet eens meer te gaan vissen, dan hadden ze zo veel gedronken, dat ze pardoes in de IJssel stapten!

En op Oudejaarsavond was er prijskruisjassen om konijn en rollade. De klanten werden getrakteeerd op een borreltje van de baas. Het café sloot dan officieel om 11 uur. De vrijgezellen, in anatal variërend van vijf tot tien stuks, mochten van mijn moeder mee de kamer in. Dat was traditie geworden: die zette ze op Oudejaarsavond niet buiten de deur. Mijn moeder had voor iedereen appelflappen gebakken. Mijn zuster speelde piano, mijn vader viool, ik zong al zo’n beetje. Het was aaltijd een heel gezellige avond. Ik heb dat in mijn “Kamper overpeinzingen” weergegeven. Maar op zeker Oudejaarsavond zei mijn moeder, dat ze het eind van het jaar nu eens allen met haar familie wilde vieren. Tegen 11 uur zaten al die vrijgezellen op hun stoel te draaien. Ze zaten als kinderen te wachten met een gezicht van “we weten niet waar we naar toe moeten”. Maar mijn moeder bleek al extra carbonades en appelflappen gebakken te hebben. En ze schoven allemaal de kamer weer binnen. Mijn moeder kon het toch niet over haar hart verkrij gen om ze in de kou te laten staan”.

Ik help mijn oude vrienden in Kampen nog wel eens. Een slager jubileerde, en ik kwam bij hem in de zaak staan. Hij had die dag een uitstekende omzet!
Ik werk ook met plezier voor de televisie. Oebele, Hamelen, Huis op stelten. En van 1951 tot ’53 heb ik met mijn vrouw gezongen in “Holiday on Ice”. We zijn de hele wereld doorgetrokken met die show: Barcelona, Berliner Sportpalast, Palais des Sports in Parijs.

’t Is voor de Leusder Krant hè, wat je schrijft? Het wonen in Leusden vind ik heel leuk. Maar de winkeltoestand is wanhopig te noemen. Waar ik ben, daar neem ik maar van alles mee, want in Leusden is niet veel te koop.
Ik moet nu weer het land in. Ik krijg wel een krantje van je, hè?”
 


© Leusder Krant

Reageer en deel Hamelen met anderen